Column Anne Roelofsen

Deel 1

Vraag aan Oom W

Vandaag gaat het gebeuren. We zijn een weekend weg met de familie en op een geschikt moment, wil ik mijn oom W vragen om met mij naar Indonesië te gaan. Ik wil samen met hem uitzoeken hoe het nu zit met het Indische bloed in de familie.

Officieel was alleen mijn opa een kwart Indisch, mijn oma was 100% Nederlands. Maar iedereen die bij de familie op bezoek kwam, ging er van uit dat de Indische genen van mijn veel donkerdere oma afkomstig waren. Zo ook ik, toen ik een klein kind was. Het moment dat mij werd verteld dat opa Indisch was, en niet oma, nam ik dat voor waarheid aan en speelde verder met mijn lego.

Pas veel later, toen zowel mijn grootouders als mijn vader allang dood waren, ging ik nadenken. Het is toch wel gek dat de donkerste, meest Indische van de familie, mijn oma, niet Indisch was. Mijn lieve oma met spannende verhalen over dat verre land, waar ze als huisdier een aap had. Mijn lieve oma, die haar hele leven lang terug wilde naar de plek waar ze geboren was, en elke keuze in haar leven baseerde op de mate waarin het de kansen op terugkeer vergrote. Mijn lieve oma, die uiteindelijk nooit terug is geweest in het land waar ze altijd zo naar verlangde.

De Indische achtergrond had impact op de familie. In eetgewoontes, in sfeer en in de maatschappij. De jongens – mijn grootouders hadden vijf zoons – werden door hun donkere koppies vaak met wantrouwen tegemoet getreden. En mijn vader had een neiging tot depressie en zelfdestructie, die direct met zijn Indische achtergrond in verband stond. Als (deels) Indische jongen was hij minder waard. Misschien vond hij zelfs dat hij het leven überhaupt niet waard was. Hoe dan ook, hij kon zijn draai niet vinden en stierf jong en ongelukkig, toen ik midden in mijn puberteit zat. Zo had de Indische achtergrond ook een enorme impact op mijn leven.

Van de vijf broers waren mijn vader en Oom W het donkerst. Was het toeval dat juist Oom W in het gat sprong, dat na mijn vaders overlijden ontstond? Hij was er toen ik rouwde, hij was er toen ik trouwde, hij was er toen ik met mijn moeder in de clinch lag. Met wie anders dan Oom W kon ik deze reis maken?

Op een rustig moment ging ik naast hem zitten. De zon scheen en we zaten op een campingmatje in het grasveldje van het vakantiehuis. Ik kon zijn ogen niet zien toen ik hem mijn plan uitlegde. Terwijl ik praatte keek ik naar zijn zonnebril en voelde ik mijn hartslag achter mijn borst. Toen ik klaar was, was het even stil. Daarna zei hij met overslaande stem dat hij graag met me mee wilde.

Deel 2

Het eeuwige verlangen

In voorbereiding op onze reis verzamel ik wat boeken over Indië. Ik weet weinig over Indië. Geschiedenis op school ging – in mijn herinnering – elk jaar weer over de tweede wereldoorlog in Nederland. Je bent nooit te laat om te leren, dus ik spijker mijn kennis bij. Zo kom ik erachter dat de meeste Nederlanders in de jaren 20 van de vorige eeuw naar Indië gingen. Een eeuw daarvoor -begin negentiende eeuw- vertrokken er veel militairen, eind negentiende eeuw werden veel ambtenaren naar Indië gestuurd. Bij die laatste groep hoort de vader van mijn oma.

Nog meer dan de historische boeken, lees ik de romans, omdat deze mij meer een gevoelsmatig beeld geven van hoe het Indië van toen was. Zo treft mij de beschrijving van een bediende die de hele avond achter zijn baas aanloopt, met als enige functie het rondslingeren van het smeulende uiteinde van een touw. Dit opdat iedereen kon zien dat er een belangrijk man langsliep. Situaties waar ik me hier en nu weinig bij voor kan stellen.

Het meeste raken mij de zinnen aan het einde van de roman Oeroeg, van wijlen Hella Haasse. “Als het waar is, dat er voor ieder mens een landschap van de ziel bestaat, een bepaalde sfeer, een omgeving, die responsieve trillingen oproept in de verste schilhoeken van zijn wezen, dan was – en is – mijn landschap het beeld van berghellingen in de Preanger”

Precies zo herinner ik me mijn Oma. Als een vrouw met haar ziel elders dan hier. Als een vrouw die haar jaren in Holland ziet als tijdelijke jaren. Als wachten op terugkeer naar huis. Ze ging farmacie studeren, omdat ze daarmee terug naar Indië zou kunnen. Ze trouwde mijn Opa, een (deels) Indische man, die ook wel oren had naar terugkeer. Ze leefden hun tijdelijke leven hier, in afwachting op het echte leven dat daar weer verder zou gaan. En toen viel Japan Indië binnen. In dat jaar, 1942, kwamen telkens weer berichten uit Indië over familieleden en vrienden die gevangen genomen waren en alles waren kwijtgeraakt. 1942. Mijn vader groeide in haar buik. Gelijktijdig verschrompelde er iets. Haar hoop ooit naar Indië terug te kunnen keren. Haar hoop ooit terug te kunnen naar huis.

Haasse schrijft: “Mijn verlangen om naar Indië terug te gaan en daar te werken, berustte in hoofdzaak op een diepgeworteld gevoel van saamhorigheid met het land, waar ik geboren en opgegroeid was. De jaren, die ik in Holland had doorgebracht, hoe belangrijk ook, telden voor mij minder dan mijn jeugd en schooltijd ginds.”

Mijn Oma was een actieve en sociale vrouw. Ze had verschillende banen, een lang en gelukkig huwelijk, vijf kinderen, evenveel pleegkinderen en was lid verschillende sociale- en sportclubs. Toen ze op 96 jarige leeftijd stierf, pasten we niet in de aula van het crematorium. En toch. De eerste 16 jaar in Indië waren de jaren die echt telden. De 80 jaren daarna in Nederland, hoe actief ook, waren eigenlijk voor spek en bonen.


Deel 3

Eerste les Bahasa Indonesia

In het huis in Schiedam waar mijn vader en ooms opgroeiden, switchten de volwassenen naar het zogeheten Pasar Maleis, als ze iets bespraken wat de kinderen niet mochten horen. Maleis werd (en wordt) in een groot deel van Azië gesproken. De letterlijke vertaling van Pasar Maleis is “markt Maleis”, kortom een taal die je nodig hebt om met de bediening op de markt je inkopen te kunnen doen.

Pasar Maleis bestaat niet meer, al was het maar omdat het woord van weinig respect getuigt. Behasa Indonesia bestaat wel en is de officiële taal van Indonesië. Naar ik begrijp verschilt het niet veel van de taal die mijn grootouders onder de knie hadden. Ik meld mij aan voor een cursus bij de Indonesische school in Wassenaar. Ik moet er op zaterdag om 10.30 zijn en de les duurt tot 12.30. Aangezien mijn maag doorgaans rond 11 uur al begint te rammelen, neem ik een pakje drinken en een Liga mee.

In school tref ik een divers gezelschap aan. Er is een jonge vent die voor zijn werk regelmatig in Indonesië moet zijn, er is een dame die getrouwd is met een Indo en er is een man die in Indonesië geboren en getogen is. Hij heeft in een jappenkamp gezeten en weet niet precies hoe Indisch hij eigenlijk is, wel weet hij dat Indonesië in zijn bloed zit. Dat hoor je eigenlijk van iedereen die daar opgegroeid is: Indonesië zit in hun bloed en of daar ook een genetische component bij komt kijken, is eigenlijk niet relevant.

Ik blijk de enige beginner te zijn, en moet dus naar mijn eigen klaslokaal, met mijn eigen docente: een prachtige dame met dito hoofddoek. Ik zit nog niet, of ik krijg een kopje thee, een aantal stukken bakbanaan en een stuk spekkoek. We beginnen bij de basis: ik leer te vragen “wat is dit?” en ik leer een paar voorwerpen te benoemen. Sommigen zijn duidelijk uit het Nederlands afkomstig, zoals kantor (kantoor), lampu (lamp) en tilpon (telefoon). Na een uurtje oefenen is het pauze. Uit een plastic zakje achter in de klas komen bakjes tevoorschijn. Bakjes rijst met pittige groentesaus en een gebakken ei eroverheen. Voor elke student één. We eten en kletsen en gaan door met de les. Ik leer de basisregels van Indonesië: 1. Je gelooft in een opperwezen.  2. Je gelooft in rechtvaardigheid en beschaafde menselijkheid. 3. Je koestert nationale eenheid en voelt je niet beter dan een ander.  4. Je doet alles in overleg. 5. Je bent sociaal, zorgt voor anderen.

Aan het einde van de les krijg ik nog twee bakjes eten mee. Voor mijn kinderen. De bakjes doe ik in mijn rugzak. Ze liggen naast mijn onaangebroken Liga.

Deel 4

Reis boeken

De laatste keer dat ik met mijn oom naar het buitenland ging, was 25 jaar geleden. Ik zat met mijn vader en de rest van ons gezin in een vakantiehuisje, hij zat met zijn vrouw en kinderen in het huisje ernaast. Soms zetten we als kinderen onze vaders naast elkaar en gingen we beslissen wie van de twee broers de grootste flaporen had. Nadat we een keuze gemaakt hadden, probeerden onze vaders ons te vangen en kregen we ‘kattenstraf’, wat neerkomt op de kieteldood. Eenmaal bijgekomen van de achtervolging en de kieteldood, vroegen we onze vaders weer om naast elkaar te gaan staan en velden we als kinderen weer een oordeel over hun flaporen. Om weer opnieuw gevangen te worden en kattenstraf te krijgen.

Onze trip naar Indonesië wordt de eerste reis sinds toen. Hoewel ik inmiddels volwassen ben geworden, en mijn oom kattenstraf uitdeelt aan mijn kinderen in plaats van aan mij, blijft het leeftijdsverschil op andere manieren zichtbaar. Waar ik er automatisch vanuit ging dat we alleen een vliegticket zouden kopen en de rest terplekke zouden regelen, bleek dat mijn oom er automatisch vanuit was gegaan dat we alle hotels vooruit zouden boeken. Waar ik genoeg heb aan een bezemkast om in te slapen, wil mijn oom graag een goed bed met een acceptabele WC en douche bij de kamer. Door de voorbereidingen op de reis komen we stapje voor stapje achter elkaars voorkeuren en reiswensen en zoeken we uit hoe we elkaar tegemoet kunnen komen.

De enorme variatie aan informatie over reizen in Indonesië schept in dat proces veel verwarring. Vrienden van mij zeggen zelf voor 5 euro per nacht te hebben geslapen, maar geven aan dat je voor 15 euro in een paleis met airco ligt. Mijn oom oriënteert bij een reisorganisatie en krijgt te horen dat een acceptabele kamer met airco 50 euro per nacht kost. Gelukkig vinden we elkaar wel snel in het besluiten wat we willen zien. We landen op Jakarta en gaan dan via Bogor naar Bandung, waar mijn oma opgroeide. We hebben haar adres nog, dus we hopen haar oude huis te vinden. Daarna gaan we via haar vakantie adres in Lembang met de trein naar Yogjakarta en Malang. De geboorteplaats van mijn opa, Semarang, slaan we deze keer over. Mijn oom zou daar, als gepensioneerde man, absoluut tijd voor hebben, maar ik wil en kan mijn kinderen, man en werk niet langer dan twee weken achterlaten. Ook hierin is ons verschil in levensfase zichtbaar en ook hierin moest één van beide water bij de wijn doen. Er zullen nog veel momenten volgen en alle keren zullen we er goed uitkomen. We willen namelijk graag dit avontuur samen aangaan. Dit hoort daarbij.

Anne Roelofsen

Dit bericht is geplaatst in Columns. Bookmark de permalink.

Reacties zijn gesloten.