Eerdere recensies

Jan Zwaaneveld, DwaDwaalsporenalsporen, Utrecht 2024 (Xanten)

De gedachten van de dichter dwalen door de wereld, reizen van werelddeel naar werelddeel. Wie reist, ziet wat hij achterlaat compact, klein maar van gewicht, door een milde zon subtiel belicht. Wanneer de veelheid, de kleurenrijkdom en de overdadigheid van indrukken hun verzadigingspunt hebben bereikt, begint het afpellen , het leeg maken, het reduceren. Je nadert dan iets wat er altijd al was, iets waar je in de maalstroom van het dagelijks leven aan voorbij ging. Het reizen doet het heden verkeren in het ‘altijd’.
‘Ik dacht nog, als ik blijf dan keert de tijd/maar ik moet doodgaan tussen dagelijkse dingen/en weet je, dertig keer onder de douche//honderdmaal de afwas doen/en al dit kwelwater is opgedroogd, verdampt./Wat van ons overblijft is zout en zand.’ (Zand).
Steeds weer verschijnen woorden die het doven, het verdwijnen, het oplossen en het terugdringen aanwezig maken.
‘Hoe doof je primaire kleuren, zwijgend onderweg over de wegen van een land.’ (De schittering van ondrinkbaar water)
‘Ik weet wel dat de tijd met uren tegelijk verdwijnt’ (Sandwiches)
‘De tuin ademt vanmorgen geesten uit die samenspannen, handen vasthouden, maar dan worden ontbonden door de naderende zon.’ (Snijverlies)
‘Wat je ook hier laat, dit huis is verloren als jij het verlaat.’ (Pijngrens)
‘Vijfenveertig graden en dat terwijl de dag/al dichtslibt. Alsof de lucht je terug wil dringen/in de aankomsthal, of het wegvluchtende licht/je geen herinneringen gunt.’ (Phoenix)
‘Alsof die onweersbui boven de valley haast ongemerkt oplost; nee, hier slaat geen bliksem in.’ (Sonoita Inn, Sonoita)
Hoog in de lucht, vanuit het vliegtuig, kijken we neer op kleinigheden: lappen, lijnen, spinnewebben. Het reizen reduceert. Tot wat? Tot het heldere moment. Tot onze dromen van de poolnacht, gered door een dichter. Want hij moet het zijn geweest die deze milde zon verzon. (Het moet een dichter zijn)

(cg)

 

Gerdien Verschoor, De kop van Oskar Wronski,
de_kop_van_Oskar_Wronski_volledig_def.inddAmsterdam/Antwerpen 2014 (Atlas Contact)

Lees het eerste deel van De kop van Oskar Wronski, lees het nog eens en nog eens, en maak je de zuivere vorm daarvan meester. Je begrijpt nu hoe de delen twee en drie niet anders konden worden dan ze zijn geworden. Als uitbreiding van die vorm.
In een roman moet de vorm vermaterialiseerd worden in taal, geconcretiseerd in een verhaal. In de beeldende kunst van Odessa van Heek, de hoofdpersoon in Gerdien Verschoor’s roman, zal dat niet anders zijn. Haar kunstenaarschap begint in 1937. De ismen in de kunst zijn passé, er kan weer realistisch geschilderd en gebeeldhouwd worden.
Dan, op 16 november in het Gare du Nord in Parijs, trekt een lange, magere man met scheuren in zijn gezicht en een kapot oog haar blik naar zich toe, dwingend. Een mislukte Russische prins of een soldaat die geschonden uit de oorlog was gekomen? De twee staren elkaar aan.
Ze wordt beeldhouwster, Odessa, het kan niet anders, haar grote handen vragen daarom. In het atelier van Paul Dupré, bij wie ze in de leer is gegaan, maakt Odessa een tekening, een voorstudie, die maar niet tot leven wil komen. Plots grist iemand haar het potlood uit handen. Het is de man die ze zag op het Gare du Nord. Oskar Wronski, schilder van het niets. Met enkele perfect gekozen lijnen brengt hij de tekening tot leven.
‘Zoeken naar de zuivere vorm, de verbinding met het voorwerp vermijden,’ leert Wronski haar. Kan ze dat? Wil ze dat? Wronski wijst Odessa’s lijnen, die de vorm van het voorwerp zoeken, af. Maar waarom neemt hij dan een tekening van haar mee? Wordt ook hij aangetrokken door iets wat hij niet kan of wil?
De tegenstelling is gegeven, het spel van aantrekken en afstoten, van toenaderen en wijken is begonnen, een antithese die geen synthese wordt, maar levend blijft, in ontwikkeling, scheppend. De tegenstelling is er een van ideeën.
Wronski schildert met wit, abstract. Schubben, lichtvlekken. Zijn werk betovert Odessa, maar begrijpen doet ze zijn schilderijen niet.
De zuivere vorm als fase begrijpt ze. De vorm moet in je hoofd, in je handen, in je hele lijf komen te zitten. Het gaat erom dat je net zo lang naar een object kijkt tot je elk detail ervan uit je hoofd kent. Pas als je zover bent kun je met beeldhouwen beginnen. Om goed te worden moet je oefenen, herinnert ze zich van de lessen van Dupré. Met talent heeft het niets te maken, en met inspiratie al helemaal niet.
Zodra Odessa thuis komt haalt ze haar schetsboeken uit haar tas en begint de kop van Oskar Wronski te tekenen, ieder detail leert ze beheersen, ze tekent de neus, de oren, de ogen, de mond… geïsoleerd of in samenhang met andere lichaamsdelen. Ook zijn eenzame schoenen en zijn lege sokken tekent ze.
Odessa gaat van zijn lichaam houden, ook in werkelijkheid. De fysieke confrontatie is kortstondig. In de zomer van 1939 verdwijnt Oskar Wronski uit haar leven. Met alles wat hij achterlaat.

(cg)

 

coverblauwehemelKreek Daey Ouwens, Blauwe hemel – gedichten –, Amsterdam 2014 (Wereldbibliotheek)

Je kijkt naar me, Larissa, je ziet me kijken naar de pinokkiopop op het dressoir.
Ik zoek hem een paar keer daags, met mijn ogen, hij mist een schoen.
Je weet ook wel, Larissa, de dingen die je neerzet of ophangt in je kamer verliezen na verloop van tijd hun gezicht.
Ze zijn er en ze zijn er niet.
Ze zijn onzichtbaar geworden.
Anders is het met de pinokkiopop. De schoenloze voet is er.
Wanneer ik naar hem kijk voel ik kou langs mijn rechtervoet optrekken.
Zal ik de kamer voor de zoveelste keer doorzoeken op de verloren schoen?
Ik kan het nu doen of straks, wetend dat ik hem niet zal vinden.
Het zoeken is dwangmatig.
Of is het een rite?
Huldig ik het gemis?

Meneer Danie zegt dat hij een nieuwe schoen uit hout zal snijden.
Wanneer hij dat zegt kijkt hij me onderzoekend aan.
Daardoor weet ik dat hij het niet zal doen.

(cg)

 

Jos Versteegen, De bliksem in je pen –De bliksem in je pen(1)
hoe schrijf je gedichten en liedjes – Amsterdam 2013 (Meulenhoff)

De boektitel De bliksem in je pen is ontleend aan een versregel van Jaap Harten, die luidt: ‘Als ik geluk heb, slaat de bliksem in mijn pen’. Als de schrijver, Jos Versteegen, zijn uitgesproken voorkeur voor een werkwoord in een boektitel het volle gewicht had gegeven, zou hij er ‘Het bliksemt in je pen’ van hebben gemaakt. Maar Versteegen is er de man niet naar om zijn wil tot wet te verheffen en zijn smaak zalig te verklaren. Verschillende passages in zijn boek kunnen dat bewijzen.
Bijvoorbeeld: wat Versteegen stoort in de postmoderne poëzie is het ontbreken van een verband tussen het gedicht en enige ordening in de realiteit. Toch doet hij zijn best de welbewuste toevalligheid in een gedicht van Arjen Duiker (p. 143) te duiden, ook al betwijfelt hij of de dichter zich in zijn interpretatie zal kunnen vinden.
Ook tegen haiku’s heeft Versteegen zijn bedenkingen. Hij vraagt zich af of deze drieregelige gedichtjes de Westerse literatuurconsument wel voldoende te bieden hebben. Maar ook nu weer probeert hij er het beste van te maken: ‘Wanneer een haiku gaat lijken op een mini-anekdote en ik bij het lezen als het ware een mens ontmoet, wordt het voor mij minder vrijblijvend.’ (p.119)

De bliksem in je pen is geen poëtica, maar een overzicht van de gereedschappen die de dichter ter beschikking staan: beelden, vergelijkingen, metrum en ritme, rijm en andere klankeffecten, versvormen. Daarnaast geeft de schrijver adviezen voor het samenstellen en publiceren van dichtbundels en het voordragen op literaire podia.
De adviezen die Versteegen verstrekt zijn allereerst bestemd voor beginnende dichters. Voor hen is het boek zeker leerzaam, maar of het een garantie biedt voor vooruitgang of succes? Ik weet het niet. Daar zijn meer en ‘grotere’ dingen voor nodig, zoals een oorspronkelijke manier van denken, een speciale manier van kijken, oog voor de wereld, de medemens, de dieren en de dingen, een zekere ongebondenheid, emotioneel geheugen, muzikaliteit en taalvaardigheid.
Wel biedt Versteegen de dichter houvast bij de toetsing van zijn techniek. Dat doet hij niet belerend, maar in een gesprek met de lezer, subjectief, puttend uit zijn eigen ervaringen en zich blootgevend als een dichter die ook dubt en draalt.

In een paragraaf getiteld ‘Hoe ga ik te werk’ (p. 151) verklaart Versteegen dat hij graag schrijft over het verleden: zijn ouders, de boerderij waar hij opgroeide, de dieren die een verzelfsprekende plaats innamen in het leven van het gezin. De stemming van weemoed die deze herinneringen oproepen blijken vruchtbaar. Als (mooi) voorbeeld noemt hij een kasboekje van zijn vader waarin de uitgave van een kostuum à 200 gulden staat opgetekend. Dat kostuum was zijn trouwpak. In dit gegeven ligt emotie besloten, die van de vader, die van het gezin en nu die van het kind, de dichter.
Dit uitgangspunt doet mij denken aan de bespiegelingen van Gaston Bachelard in La poétique de l’espace 1. De Fransman heeft het effect van het soort beelden dat Versteegen zoekt (het kasboekje, het kostuum) beschreven als ‘de weerklank van het beeld’. Hij beschrijft ze als beelden waarbij de de lezer geheel onbevangen een poëtische macht in zich voelt opkomen en schijnbaar in zijn eigen verleden binnentreedt. Het beeld in het gedicht wordt een ‘werkelijkheid van hemzelf’, het wekt de indruk dat hij het zelf had kunnen en mischien wel had moeten creëren. Prototypisch voor beelden die weerklank vinden zijn volgens Bachelard ruimtes waarvan we houden, ruimtes die ons beschermen of beschermd hebben en die wij van onze kant willen behoeden voor aantasting. Door ons ‘welgekozen’ kamers en huizen te herinneren leren we ‘binnen onszelf’ te blijven. Deze ruimtes bevinden zich immers net zozeer in ons als wij in hen.
In zijn eigen, voor iedereen toegankelijke taal, komt Versteegen dicht bij de uitleg van de Franse filosoof.

De bliksem in je pen is niet alleen een nuttig hulpmiddel voor (beginnende) dichters. Het is minstens zo geschikt als lesmateriaal voor het middelbaar onderwijs. Uit eigen (korte) ervaring weet ik dat de leer van de dichtkunde, van metafoor/metonymia tot en met metriek/ritme, voor middelbare scholieren alles behalve een strafexpeditie betekent. Ze ervaren het programma als een spel, dat hun de mogelijkheid biedt om op een creatieve manier tot een gedicht door te dringen. Het moeilijk begaanbare taalmassief waar de leerling tegenover kwam te staan, is nu niet langer angstwekkend.

Tenslotte: moge de schrijver bij een volgende druk van het boek aan Extaze denken (p. 235: Websites en tijdschriften). Als ik mij goed herinner heeft de getalenteerde dichter Jos Versteegen in dat tijdschrift gepubliceerd.

1) Gaston Bachelard, La poétique de l’espace, Parijs 1958 (Presses Universitaires de France)

(cg)

Reacties zijn gesloten.